Stel dat het zou kunnen

Tekst: Jan Rot
Muziek: Jan Rot
Uitvoering: Jan Rot

Nooit won hij een Edison, Zilveren Karekiet, Gouden Kruiwagen of hoe al die prijzen ook mogen heten… Een gesprek met Jan Rot over zijn lied Stel dat het zou kunnen, dat is bekroond met de Annie M.G. Schmidtprijs 2015.

VAN STOM SPELLETJE TOT PRIJSWINNEND LIED

Voor Jan Rot is ‘de Annie’ een aanmoediging

“Kijk ik ben natuurlijk ook geen twintig meer. En zo dacht ik een paar jaar geleden: wat laat ik na als ik er straks niet meer ben? Muziek natuurlijk, maar ook een laptop met daarop één grote baggerzooi. Liedteksten, af en onaf. Zeshonderd titels, waar niemand ooit wijs uit kan worden. En daarnaast dozen vol cassettes met demo’s. Het leek mij een goed idee de boel een beetje op orde te brengen. En wie weet zou ik nog wat bruikbaars vinden.”

“Ik was aan het opruimen en vond een tekst die mij herinnerde aan een gesprek met een journalist. Hij vroeg me wie er bij mij aan het laatste avondmaal zouden zitten. Daar had ik toen helemaal geen zin in; ik houd niet van dat soort spelletjes, sorry. Maar eenmaal thuis liet de vraag me toch niet los; misschien zat er wel een lied in. Ik begon met de zin ‘Wordt het Jezus, Albert Einstein of Martin Luther King?’ De meest logische namen, tot je denkt: ja, maar wie zou ik écht graag willen spreken? Bach of Mahler? En wat zou ik dan zeggen? Ik heb wel eens iets van u vertaald? Mooi niet! De jonge Pavarotti dan? Daar moest ik ontzettend om lachen. Een God van een zanger natuurlijk, maar niemand die op het idee zou komen om hem aan zijn tafel uit te nodigen. Het waren vooral mooie zangwoorden en juist daar had ik plezier in. Toen verder: Elvis natuurlijk! En dat hij dan even voor je zingt. Die paar regels schreef ik net zo snel als ik het je nu vertel. Daarna riep mijn zoontje dat we gingen eten of zoiets. De tekst heb ik daarna jarenlang niet afgemaakt.”

Een uurtje met mijn moeder
“Ik kwam dat tekstje dus weer tegen en las het vluchtig door. Het enige wat ik echt graag wil, bedacht ik toen, is een uurtje met mijn moeder. En ja, dan is zo’n liedje klaar. Die ene zin geeft dit lied zijn waarde. De rest van de tekst schrijft zich dan als het ware vanzelf: wat wil je nog meer? Vrienden terugzien. Herman en Antonie enzo. En daarna volgt nog een derde couplet. Dat is ontstaan uit de vraag: met wie zou je ooit naar bed willen? Daar heb ik ‘een nachtje in het Hilton’ van gemaakt.”

Kampvuur
“De eerste keer dat ik Stel dat het zou kunnen zong, was tijdens een van de voorstellingen van de Kampvuur-tour. Daarin vertelde ik het publiek dat ik vroeger op Vlieland vaak bij het kampvuur speelde. Ik probeerde daar dan nieuwe liedjes uit. In die voorstelling deed ik hetzelfde: ik had een boek mee met wel honderd nooit uitgebrachte nummers. Pas met publiek erbij merk je of een tekst iets is, of het werkt. ‘U bent dus de eerste die het volgende lied hoort, maar misschien ook wel de laatste’, zei ik dan. De muziek heb ik die allereerste keer gewoon geïmproviseerd. Na afloop vroeg een dame uit het publiek: ‘Dat lied over uw moeder, staat dat ook op cd?’ Niet dus, sterker nog: ik hoorde het lied die avond zelf ook voor het eerst. En ik hoopte maar dat ik me de volgende dag de melodie nog zou herinneren.”

Roossie in de knop
“Toen ik het lied een paar keer gespeeld had, dacht ik: dit is eigenlijk best een Annie M.G. Schmidtprijsliedje: een liedje dat anders is dan al die andere liedjes, een lied dat persoonlijk is én universeel, een lied in Annies lijn. Zo’n lied maakt kans. Annie staat overigens bovenaan in mijn top drie van mensen die ik echt heel erg goed vind. Lennaert Nijgh staat daar ook in, omdat hij met zijn teksten de lat voor de eerste vijftig jaar enorm hoog heeft gelegd. En Gerrit den Braber, een onderschat en verschrikkelijk goed vertaler. Hij schreef Spiegelbeeld en Hou je echt nog van mij, rocking Billy? in een liedtaal die zo Nederlands is. Zo goed, zo raak, zo leuk ook. En Annie dus, qua constructies de allerbeste. Dikkertje Dap alleen al, hoe dat in elkaar zit! En Op een mooie pinksterdag… Annie begreep het verschil tussen roosje in de knop en roossie in de knop. Dat eerste is niks. Bij dat tweede zie je een vader en zijn dochtertje voor je. Briljant gewoon. Bij Annie leeft iedere zin. Haar werk getuigt van vakmanschap, waarvan ik inmiddels weet dat het jaren schrijven kost om erbij in de buurt te komen. In mijn lied zit het ’m in het verschil tussen een nieuwe DJ en, zoals ik zing, zo’n nieuwe DJ. Dat woordje zo’n dus, dat is Annie. Het zijn trucjes die je met de jaren leert, waarmee je een tekst kunt verrijken.”

Elvis
“In de voorstelling Kampvuur speelde ik Stel dat het zou kunnen als teaser voor mijn volgende voorstelling: Jong & Veelbelovend. Daarin vertel ik dat ik in 1977 op de drempel stond van een nieuw begin: ik had werk gekregen in een studio, mijn bandje kwam op stoom en ik mocht gaan schrijven voor muziekblad Oor. Net toen het goed leek te gaan, stond ineens de politie op de stoep: ‘Bent u meneer Rot? Er is iets met uw moeder gebeurd.’ Slechts 51 jaar, altijd kerngezond, een hersenbloeding, nooit meer bijgekomen. In de show vertel ik dat, en ook dat wij die middag met de familie rond de koffietafel zaten om alles te bespreken. Opeens zwaaide mijn vader met de krant en riep te midden van de treurnis: ‘Oh nee, nu is hij er ook niet meer. Elvis de Pelvis, mijn idool!’ Wij wisten: mijn vader had niks met Rock ’n Roll, dus dat kwam op ons heel grappig over op dat moment. We hebben over de grond gerold van het lachen. Nergens ter wereld zullen mensen zo ontladen gereageerd hebben op de dood van Elvis. Direct na dit verhaal zet ik Stel dat het zou kunnen in. Het lied heb ik thuis tot gek wordens toe geoefend, om tijdens het spelen niet overvallen te worden door mijn eigen emotie. Ik bedoel: je moet de mensen laten huilen, niet jezelf. Laatst kreeg ik het compliment dat ik zelfs iemand geëmotioneerd had, die haar eigen moeder niet eens aardig vond. Persoonlijk en universeel dus kennelijk. En voor het eerst in mijn leven een vakprijs. Een aanmoedigingsprijs, zo zie ik het. Eentje die ik mezelf heel erg gunde.”