“Elke zin zegt iets over jou en jouw moeder”

DE WARE ESSENTIE VAN GEEN KIND MEER

GEEN KIND MEER
Winnaar Annie M.G. Schmidtprijs 1996
Tekstschrijver: Jan Boerstoel
Componist: Marnix Busstra
Uitvoerende: Karin Bloemen

“Je herkent je zo in dat lied; elke zin zegt iets over jou en jouw moeder. Het is allemaal zo waar en daardoor hartstikke heftig.” Karin Bloemen zegt dat over het lied Geen kind meer uit haar theatervoorstelling La on tour. De tekst van Jan Boerstoel op muziek van Marnix Busstra is het Annie M.G. Schmidtprijs-winnende lied van 1996.

Karin Bloemen aan het woord: “Samen met Marnix vormde ik het creatieve team van Het wapen van Bloemen. Dat was een reeks televisieprogramma’s die wij maakten voor de VARA. Ter voorbereiding zaten we in een beeldig huisje in Italië met tussen ons in twee schoenendozen vol met liedteksten. Toen we er doorheen gingen stuitten we op Geen kind meer. Dat was een tekst die ik van Jan Boerstoel had gekregen.”

Marnix Busstra: “Grappig hoor, zo’n stapel doorwerken. Wat mensen al niet toesturen… En toen las ik dus Geen kind meer, een pareltje tussen al die andere teksten. Dan merk je meteen het kwaliteitsverschil tussen de goedbedoelende hobbyist en iemand die kan schrijven op het allerhoogste niveau. Wat de kracht is? Het is al meteen heel muzikaal. Je voelt bij het lezen een soort muzikale logica. Er zit een metrische vorm in. Het kostte eigenlijk maar weinig moeite daar muziek onder te schrijven.”

Jan Boerstoel: “De ene zin is meteen raak, aan andere zinnen moet je poetsen voor ze lekker willen lopen. In mijn hoofd heb ik vaak ‘werkmuziek’. Muzikaal niet interessant, maar het geeft mij richting bij de vorm. Het duurt vrij lang voor ik iets op papier heb, waarvan ik weet dat ík het in ieder geval niet beter kan. Geen kind meer schreef ik voor een televisieserie, die uiteindelijk nooit gemaakt is. Toen Karin mij vroeg of ik nog iets moois had liggen, heb ik de tekst aan haar gegeven.”

De omdraaiing
“Omdraaiing… omdraaiing? Ik weet van niets”, grapt Karin. Maar Jan weet beter: “Toen ik Karin het lied voor het eerst hoorde zingen, dacht ik dat ze zich vergiste. Later vertelde ze me dat ze het bewust gedaan had. Daar was ik op z’n zachtst gezegd niet gelukkig mee.”

Karin: “Het was een gevoelsmatig ding. Het beeld van de kindertijd vond ik het sterkst en ik wilde dat daarom graag aan het einde zingen, als de genadeklap. Als ik geweten had dat het voor Jan zo belangrijk was, had ik dat natuurlijk nooit gedaan. En behoorlijk stom dat we vergeten zijn het vooraf te bespreken.”

Jan: “Het deel dat Karin aan het einde plaatst, gaat over terugdenken aan je jeugd. Met dat als slot krijgt het iets sentimenteels en daar gaat het mij helemaal niet om. Het eigenlijke slotcouplet gaat over een vrouw die inziet dat ze jaren met haar moeder heeft geknokt om karaktereigenschappen die ze zelf ook bezit. Daarin zit voor mij de essentie van het nummer. Tijdens een hommage aan mij van het Amsterdams Kleinkunst Festival, heeft Karin het in de goede volgorde gezongen. Dat vond ik buitengewoon aardig. Tussen Karin en mij is het helemaal goed. Ik heb er geen last meer van.”